Springen

Bij het schansspringen heeft elke deelnemer het recht op 3 doortochten doorheen het springparcours aan een vrij gekozen snelheid tot maximum 72 km/h +/- 1.5 km/h. De gekozen snelheid hangt voor een groot deel af van de houding en de techniek van de skiër. Voor dames en junioren varieert de snelheid tussen 55 en 65 km/u, voor de heren tussen 63 en 72 km/u.

De snelheid moet doorheen het hele springparcours constant aangehouden worden van aan de startboei tot aan de eindboei.

De techniek voor het schansspringen bij het blootvoeten is volledig anders dan bij het klassiek skiën. De blootvoeter springt ‘inverted’. Dit wil zeggen dat hij door de lucht vliegt met zijn hoofd naar. Juist voor het landen brengt hij zijn benen naar voor.

De verste sprong van deze 3 sprongen geeft het eindresultaat weer.

De afstand van de sprong wordt gemeten vanaf de top van de schans tot het punt waar de skiër het water bij zijn landing raakt. De skiër kan landen op zijn voeten, maar hij mag eveneens landen op zijn zitvlak.

De skiër moet in basisskipositie staan vanaf de startboei, naar rechts uitwijken om vervolgens voor de schans te komen en te springen. Om een geldige sprong te scoren moet hij terug in basisskipositie staan voor hij de 75 meter boei, die het einde van het springparcours aangeeft, bereikt.

Hij mag landen op zijn zitvlak of op zijn voeten, maar zijn lichaam moet vanaf de landing steeds in lijn blijven met de lijn van het springparcours. Dit betekent dus dat hij na een val met behoud van de skilijn niet terug in skihouding mag komen met een tumbleturn.

Het wereldrecord springen op blote voeten staat op David Small. Hij sprong in 2010 29,90 meter.