FYSIEKE ONTWIKKELING
FUNDAMENTELE BEWEGINGSVAARDIGHEDEN | SPORTSPECIFIEKE VAARDIGHEDEN
Deze fase valt samen met de Peak Height Velocity (PHV), de periode van de groeispurt. Het is een cruciaal moment in de ontwikkeling van jonge sporters, waarin rekening moet worden gehouden met zowel de fysieke veranderingen als de verschillen in vroege of late maturiteit.
Dit ontwikkelingsstadium biedt optimale mogelijkheden om het uithoudingsvermogen, snelheid en functionele kracht doelgericht te ontwikkelen. Trainingen worden afgestemd op de groeifase van de sporter, zodat belasting en intensiteit in balans blijven met het veranderende lichaam.
Omdat het lichaam kwetsbaar is tijdens de groeispurt, ligt de nadruk op veel herhalingen, lage intensiteit en correcte uitvoering. Afwisseling in activiteiten voorkomt overbelasting en stimuleert een brede motorische ontwikkeling.
Tijdens trainingen en wedstrijden worden vaste routines aangeleerd, zoals een zorgvuldige opwarming, cooling-down en herstelmomenten. Deze gewoontes dragen bij aan blessurepreventie en een duurzaam sportief traject.
Daarnaast leren sporters om deze routines zelfstandig uit te voeren, waardoor ze verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen lichaam en prestaties. Dit bevordert niet alleen hun fysieke ontwikkeling, maar ook hun sportieve maturiteit.
TIPS:
- Coördinatie-training op trampoline (GF2S) vervolgen
- Functionele training (GF2S): veel aandacht aan uitvoering
- Dagelijks 15 minuutjes droogtraining met hendel, heel het jaar rond
KRACHT
Zolang een sporter in de groeispurt zit, moet men rekening houden met verminderde belastbaarheid. Er moet voorzichtig omgegaan worden met externe belasting. Krachttraining met externe gewichten kan worden opgestart, op voorwaarde dat alle krachtoefeningen steeds op een correcte manier worden uitgevoerd om het skelet niet te zwaar te belasten. Foute technische uitvoeringen kunnen leiden tot overbelasting.
Functionele basiskracht en rompstabiliteit blijven een deel van het programma, maar worden aangevuld met oefeningen die sportspecifieke bewegingspatronen nabootsen.
In deze fase kan gestart worden met plyometrische training aan matige intensiteit, gericht op het ontwikkelen van explosieve kracht. De focus ligt op het gecontroleerd aanleren van spring- en landingsvaardigheden, waarbij techniek en ritme primeren boven intensiteit.
- Krachtfocus
- Versterken over een zo groot mogelijke bewegingsbaan
- Eerst basiskracht, dan specifieke kracht - Trainingsvormen
- Dynamische, isometrische en isotone oefeningen
- Plyometrie aan matige intensiteit
- Eerst maximale kracht, dan snelkracht of krachtuithouding
- Core-stability
- Krachttraining met eigen lichaamsgewicht, elastische banden, medicine-ballen of lichte gewichten.
UITHOUDING
Tussen 12 en 18 jaar lijkt de trainbaarheid van uithouding optimaal. Vooral tijdens de groeispurt stelt men een enorme toename vast door training.
In deze fase wordt de aerobe basis verder versterkt en worden anaerobe prikkels geleidelijk geïntroduceerd. De uithoudingstraining ondersteunt langere sessies op het water en verhoogt de herhaalbaarheid van explosieve acties. Naarmate de intensiteit van vaardigheden en oefeningen toeneemt, groeit ook het belang van uithoudingsvermogen: sporters hebben voldoende fysieke basis nodig om trainingen kwalitatief af te werken, wedstrijdoefeningen probleemloos uit te voeren en snel te recupereren tussen inspanningen.
- Uithoudingsfocus
- Aërobe capaciteit versterken en introductie anaërobe capaciteit - Trainingsvormen
- Continue duurtraining, intervaltraining op matige intensiteit
SNELHEID
In deze periode (13–16 jaar) ontwikkelt snelheid zich via gerichte training van startsnelheid, acceleratie en bewegingsfrequentie, met aandacht voor techniek en coördinatie. Jongeren zijn in deze fase gevoelig voor prikkels die snelheid en explosiviteit verbeteren, vooral na hun groeispurt.
Meisjes bereiken hun Peak Height Velocity (PHV) gemiddeld 1 tot 2 jaar vroeger dan jongens, vaak rond 11–12 jaar. Hierdoor verschuift hun gevoelige periode voor snelheidstraining iets naar voren.
LENIGHEID
Tussen 12 en 16 jaar groeien botten sneller dan spieren en pezen. Het zijn eerst de beenderen die in lengte groeien waarna de spieren worden geprikkeld om ook de lengte aan te passen. Hierdoor vermindert de mechanische belastbaarheid en de natuurlijke lenigheid van spieren, pezen en ligamenten. Dit zorgt ervoor dat de natuurlijke lenigheid afneemt, tenzij ze actief onderhouden wordt.
Daarom is het belangrijk om in deze fase te focussen op dynamische lenigheidsoefeningen, met aandacht voor lichaamsperceptie, motorische controle en correcte uitvoering. Een evenwichtige en symmetrische ontwikkeling van lenigheid in het hele lichaam, aangevuld met cooling-down en lichte stretching na de training, helpt om de lenigheid duurzaam te behouden.
COÖRDINATIE / EVENWICHT
Tijdens de groeispurt verandert het lichaam snel, waarbij de botten vaak sneller groeien dan de spieren zich kunnen aanpassen. Dit verstoorde evenwicht tussen skelet en musculatuur maakt het moeilijker om het lichaam nauwkeurig te controleren en te sturen. Daardoor wordt het behouden van balans – of het snel corrigeren van evenwichtsverlies – een grotere uitdaging in deze fase van ontwikkeling.